Interview nieuwe directeur Mustapha Gidado

Hij spreekt gepassioneerd, gearticuleerd en legt de nadruk op ieder woord. Maak kennis met Dr. Mustapha Gidado en je krijgt zijn duidelijke visie over elk onderwerp in de TBC-bestrijding. De nieuwe directeur van KNCV Tuberculosefonds brengt 22 jaar ervaring mee. We spraken met hem over zijn motivatie, carrière, het Tuberculosefonds en zijn visie op de internationale strijd tegen TBC.

Gidado is de opvolger van Kitty van Weezenbeek, die op 1 mei overstapte naar de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO). Gidado bekleedt sindsdien de functie van interim-directeur. Eerder was hij directeur van het Challenge TB Project (2015-2020), dat door het Tuberculosefonds geleid en door USAID gefinancierd werd. Voor zijn functie verhuisde Gidado in 2017 van zijn geboorteland Nigeria naar Nederland. Daarvoor werkte hij als country director voor het Tuberculosefonds in Nigeria (2012-2017), na een uitgebreide carrière bij het Nationaal Tuberculose & Lepra Trainingscentrum in Zaria.

Je woont in Den Haag, waar het Tuberculosefonds in 1903 werd opgericht. Kunnen we dit interview in het Nederlands doen?
Gidado (in het Engels): “Nee, het spijt me. Daar is mijn Nederlands niet sterk genoeg voor. Mijn doel is om op het niveau te komen dat ik dagelijkse gesprekken kan voeren. Ik ga eraan werken!”

Je bent begonnen als TBC-arts in Zaria (Nigeria). Waarom koos je voor een carrière in de TBC-bestrijding?
“Voordat ik in 1997 afstudeerde aan de medische faculteit, moesten we als medische studenten allemaal twee weken in een landelijk TBC- en lepraziekenhuis werken als onderdeel van ons curriculum. Ik kwam terecht in een tuberculose- en lepraziekenhuis in Zaria. Dit ziekenhuis was erg slecht onderhouden, er was een bedbezetting van 100 procent met TBC- en leprapatiënten en een enthousiaste arts (Gani Alabi) die ondanks alle uitdagingen voor deze patiënten zorgde. Toen ik mijn Nationale Jeugddienst moest doen, vroeg ik om onder hem te werken – dat was hét beslissende moment in mijn carrière in TBC-werk. Ik heb meer dan 14 jaar in dezelfde faciliteit gewerkt met toenemende verantwoordelijkheden voor het National TB & Lepra Control Program in Nigeria.”

Kun je een voorbeeld geven van een van je ervaringen daar?
“Mijn gedachten gaan nog vaak uit naar een jonge 18-jarige kleermaker. Hij werd slecht geholpen en kreeg een verkeerde behandeling. Als gevolg hiervan was hij na 4 jaar behandelen nog niet genezen. Zijn longen waren kapot en hij ontwikkelde TBC die resistent is tegen meerdere geneesmiddelen. In 2005 kwam hij bij ons in Zaria, waar hij een jaar verbleef op een individuele afdeling. Door middel van donaties konden we de juiste medicijnen voor hem verkrijgen. Uiteindelijk hebben we toch afscheid van hem moeten nemen. Hij stierf omdat zijn longen te beschadigd waren. Te veel mensen krijgen niet op tijd de juiste behandeling. Dat motiveert mij voor dit werk. We moeten ervoor zorgen dat dit niet nog meer patiënten overkomt.”

Waarom koos je voor een overstap van werken in dienst van de overheid naar KNCV Tuberculosefonds?
“Ik heb veel technische partners mogen ontvangen en contacteren, waaronder het Tuberculosefonds. Ik realiseerde me dat ondanks dezelfde goede intentie, wij (overheidspersoneel en ngo’s) anders kijken naar en handelen in het verzekeren van hoogwaardige TBC-diensten voor onze patiënten. Daarom heb ik in 2012 een besluit genomen. Na zo’n lange tijd bij de overheid te hebben gewerkt, wilde ik werken voor een internationale ontwikkelingspartner. Ik vond het belangrijk om een meer gemeenschappelijk begrip tussen beide perspectieven te creëren. Om zo een op behoefte gebaseerde ondersteuning en duurzaamheid van ngo- en partnerbenaderingen onder de paraplu van het gezondheidsstelsel van de overheid te garanderen. Ik ben blij te kunnen zeggen dat dit mijn werk voor de door het Tuberculosefonds geleide en door USAID gefinancierde projecten (TB CARE I en Challenge TB) heeft geleid.”

In de 117-jarige geschiedenis van het Tuberculosefonds ben je de eerste niet-Nederlandse directeur. Hoe belangrijk is de geschiedenis van de organisatie?
“Het werk dat het Tuberculosefonds in Nederland deed en doet, is inspirerend. De TBC-bestrijding hier staat op het punt van eliminatie. Het systeem is waterdicht met een uitstekend bewakingssysteem, contactonderzoek, toegang tot snelle diagnostiek en hoogwaardige verpleegkundige ondersteuning voor alle patiënten. Met die ervaring en expertise ondersteunt het Tuberculosefonds al decennialang vele TBC-landen met hoge lasten. Een van de leidende principes is capaciteitsopbouw en overdracht. Ik denk dat ik een getuigenis ben van dit leidende principe, omdat ik eerst een ontvanger was technische assistentie van het Tuberculosefonds, vervolgens werkzaam was in een technische functie op landenniveau en de kans heb gekregen om door te groeien naar deze functie.”

Wat is je doel voor het Tuberculosefonds?
“Ik zie het Tuberculosefonds als een wereldwijd netwerk van organisaties met veel nationale en lokale ngo’s die complementair samenwerken om tuberculose te beëindigen en bij te dragen aan de strijd tegen COVID-19. Geleid door innovatie, het genereren van bewijs en versterking van het gezondheidssysteem als game-changer voor TBC-preventie en -zorg.

Geloof je dat TBC tijdens je carrière compleet geëlimineerd zal worden? Of tijdens je leven?
“Ik hoop dat TBC eindigt terwijl ik leef. Ik denk dat de TBC-epidemie in de zeer nabije toekomst goed onder controle kan worden gehouden. Dat is alleen mogelijk door universele toegang tot TBC-diensten die mainstream zijn in de algemene gezondheidssystemen. Een vaccin zou de algehele doorbraak zijn om tuberculose te elimineren.”

Tot slot nog een wat persoonlijkere vraag: als algemeen directeur zal je in Nederland blijven wonen. Hoe is dat voor jouw familie?
“Mijn vrouw en onze 4 kinderen zijn samen met mij hier naartoe verhuist in 2017. De kinderen zijn nu 18, 15, 13 en 6 jaar oud en gaan naar de Internationale School in Den Haag. Alhoewel we Nigeria missen, genieten we ervan om hier te zijn. De kinderen hebben hier meer vrijheid dan in Nigeria. We waren gewend om ze overal naartoe te rijden, hier hebben ze een eigen fiets waarmee ze bijna altijd naar school fietsen. Het is een hele andere, maar waardevolle ervaring voor ons allemaal.”